GEEN STAAT GEEN STAAL

GEEN STAAT GEEN STAAL

De nekken van de kranen draaien stil traag boven mij Langzaam dwaal ik af en word een dier van je getij 
In de gons volg ik je ver gezicht vanaf het droge Totdat ik in jouw haven word net als een havenloze
Zoals een blok van dicht massief waar geen tussenkomt Zink ik dieper in je diep voorspel mijn eigen bots 
Als een kluit in water val ik losjes uit elkaar Op elke korrel die bodem wordt de blikken van bovenwater

Nog steeds op de kade drukken stenen in mijn rug  Glad en hard als zetjes naar daar waar geen eind aan komt
Ik laat me naar het donker glijden tot de koele rand Van het water als een ring rondom mijn middel schuift 
Hoger langs mijn borst mijn hals mijn voorhoofd en mijn kruin Totdat er enkel fantasie en geen onderscheid meer is
De galmen van de boten en de kades en de kraan Ik ben in geen enkel andermaal in geen staat geen staal

Toch met open ogen zie ik vormen in het zwart Die komen van het bovenwater waar ik eerst nog zat
Mijn huid was licht en weerde daar het licht dat op haar viel Nu word ik donker donkerder neem licht op absorbeer 
Beschenen en beschermd door zon van boven onder meer Als poeder in het water daal jij op mijn borst neer
Alles dat voorbij ging wacht hier rustig schoon en droog Alles dat moet komen is  zonder roest in het oog