Roosmarijn Mascini

De Landloopster

Grond

1. Tussen de rooklucht van de maten en de straten zwierf ik
Daar waar mijn voeten de grond raakten daar was ik werkelijk vrij
Hoewel ik geen melodie kreeg van mijn vader noch mijn moeder
Zong ik dichter naar de stenen dan menig stedeling van hier

Ik kwam aan in een vreemde stad en vond mij lopend over de hoofden
Die me al lang geen kinderkopjes meer leken, maar volwassenen van geest
Die zouden het toch moeten weten, die zouden toch iets moeten zeggen
Maar ze kijken nergens meer van op en zijn hun vragen kwijt

In de wind stond een verteller, die met vliegende armgebaren
De mensen enkel wilde meevoeren in een verhaal van dag en nacht
Toen klonk het uit de voorbijgangers, berekende vuurvlagen
Daar waar ze konden onderbraken ze zijn handen met hun hoofd

Verderop vroeg een waarzegster, waar een gespannen rij voor draalde
Aan de nagels in de zakken “Hoe komen jullie zo schoon?”
Om de vergezichten te zien achter parken en draadstalen
Is het toch een klein offer wat zand in je wonden te dragen?

Zonder jezelf af in de woestijnen van je gedachten
Maar ga ook daar waar je vies kan worden en kan worden geroofd
Nu zie ik duistere vormen die je het daglicht niet laat verdragen
Achter je wachten tot ze je ergens kunnen belagen


2. Op eigen handen gedragen over de ruggen van anderen loop ik
En zo dender ik voort, haast vergeten dat ik uit de klei getrokken ben
Want hoe kan ik me door die grond nog ergens laten raken
Wanneer ik enkel en alleen nog aanraak met mijn hoofd

‘k Ga langs hoge panden met diepe tuinen, waar de glasheffers proosten
Met glazen achter ruiten op steeds hogere plafonds
De ramen spiegelen donkere velden, waar niemand vrijwillig in zou verblijven
En het mist er hier aan iemand die je er ooit naar verbannen zal

Rond de dorpen zaaien ze indianenverhalen
Over de grote bosbrand waar zelfs kleine bosbrand niets meer van gelooft
‘k Volg hardlopende vuurtjes, jagend achter de mensen aan
Die liever blijven in een buiten dat ze zelf niet kozen

Dan kom ik bij de kleden langs de blakerende terreinen
Waar voor de lage hekken hetzelfde wordt verkocht als erachter is gedumpt
Maar waarom de mensen daar die dingen ruilen tegen hun munten
Is een spel dat nu alleen de magiërs nog begrijpen

Ik zie de zielen thuisloos raken en dwalen over de straten
Terwijl de echte daklozen waaks uit het zicht worden geweerd
Toch zie daar ik duidelijk voor me dat wat ongezien voorbij gaat
En spreekt helder tot mij dat wat geen naam mag hebben


3. De Landloopster valt als ze niet oplet, stil in een eenzaam staren
Omhoog naar een Poolster op wie ze haar verlangens brandt
Een gezicht dat zo dichtbij voelt, dat het in alles ver schijnt
Maar wiens lichaam altijd wegduikt en wiens ogen zich vermommen

Zo ongrijpbaar dat ze twijfelt of het nog wel blijft bestaan
Wanneer ze het beschouwt als iets dat ze werkelijk aan kan raken
Toch herkent ze in de blikken, die rustig terug blijven kaatsten
Langzaam haar eigen ogen en laat ze zich naar binnen draaien

Mijn ogen hebben je gezocht, zo ver hier vandaan
Dat ik soms twijfel of je nog wel blijft bestaan
Wanneer ik je beschouw als iets dat ik werkelijk aan kan raken
Toch ik voel jij brandt in mij, ster waar naar ik kijk


Zo ver als haar blik probeerde te reiken, zo diep kan ze nu zinken
Tot daar waar alleen eng, vreemd duister haar nog kan behagen
Maar net als in de bovenwereld is ze in de onderwereld
Niet bang te lopen door de landen en aan de grond te raken

Mijn ogen hebben je gezocht, zo ver hier vandaan
Dat ik soms twijfel of je nog wel blijft bestaan
Maar net als in mijn bovenwereld, ben ik in mijn onderwereld
Niet bang te lopen door de landen en aan de grond te raken


4. Aan de randen van de hopen dingen, die eerst nog van iemand waren
Verschijnen constructies van melodieën en vreemde spelgebaren
Ik zie de mensen wat voor hen ligt oprapen en verplaatsen
Totdat het sterk genoeg is om een ware dans te dragen

Tussen bermen en havens zwerf ik en vind daar de vergezichten
Daar waar mijn voeten de grond raken daar ben ik werkelijk vrij
Soms klim ik op de hoge gebouwen die heel dicht aan de nachtlucht raken
Dan spring ik van de aanlegpalen om even in het nulpunt te zijn
En zing ik heel dicht naar de stenen als een echte vreemdeling van hier


(uit Karakteristieken van een Verscholene, 2019 - ...)

De Hardlopende Vuurtjes, De Poppen van de Pleinen & Een Vrouw zo oud als een Boom

Drieluik


Wij zijn de mannen met veren
Gevolgd door de vrouwen met snavels
Wij houden jullie voor de kippen
En strooien wat graantjes om elkaar af te pikken

Wij zijn de vrouwen met schubben
Gevolgd door de mannen met tongen
We sprenkelen listen en prooien
En maken je meester van kooien

Wij geven pap en nat
Wij verdelen heers
Wij houden brood en spelen
Wij zijn al zo oud als velen


Wij zijn de mannen met koplampen
Gevolgd door de vrouwen in schijnwerpers
Laat ons je belichten
Je hebt niets te verbergen

Wij zijn de vrouwen die stoken
Gevolgd door de mannen met aanstekers
We drinken veel en gulzig
Trots kunnen wij onszelf blussen 

Wij houden de naakte waarheid
Ons eigen recht op eigenheid
Als een bord voor onze koppen
Dat jouw vragen doet stoppen


Jullie schaamte is nog jong
Wij laten die jullie dragen
Zodat het jullie zal verscheuren
En wij je met vergezichten op kunnen beuren

En wanneer de nacht valt
Sluiten wij al het donker buiten
Sluiten wij al onze zelven buiten
En dromen over oneindig ver vooruit kijken

Hoe meer jullie je verschuilen
Hoe meer wij ons voor jou ontleden
Totdat de herkomst van onze delen
Je niets meer kan schelen

Wij roken rond de tafels
Wij delen jou de kaarten
We winnen ons eigen spel
Wij zitten goed


De Poppen van de Pleinen

Wij zijn de mannen met vette haren
Gevolgd door de vrouwen met vieze nagels
We dragen zorg voor jullie landen
Het onkruid dat je stal uit onze manden

Wij zijn de vrouwen die baarden
Gevolgd door de mannen met graven
Onderweg verloren we er velen
Maar ons verdriet kunnen we delen

Wij geven je niets om te kiezen
We geven je geen veilige haven
We geven je geen praatjes
We geven je geen paradijs


Wij zijn de mannen met donkere manen
Gevolgd door de vrouwen met diepe vouwen
Wij zijn de poppen van de pleinen
De spiegels van je angsten en geheimen

Wij zijn de vrouwen in sluiers
Gevolgd door de mannen die opgaan in rook
De stille getuigen van een gemaskerd zijn
Ontwaakt onder schroom en eenzaamheid

Wij zijn de verborgen beelden
Die vrij in het duister leven
Wij zijn de levenden achter de levenden
Wij zijn je gemene delen

Pakezels van toeval en tijd zijn wij
Dat wat jullie zelf niet willen dragen
Pakketbezorgers in een duister buiten
Dat we zelf niet kozen 

Jullie willen het in ons blootleggen
Het heimelijk in het daglicht zetten
Zodat het een scherts zal worden
Waar je zelf niet meer naar hoeft te verlangen

Hoe meer jullie ons beschijnen
Hoe meer wij je absorberen
Totdat we in jouw persoonlijk licht
Een gedeelde schaduw zien

Wij zijn jullie reden
Om ons op het plein uit te kleden
Maar als we niet kaler meer kunnen
Vinden we jou daar


Een vrouw zo oud als een boom


Ik ben een man uit tienduizenden
Gevolgd door een vrouw zo oud als een boom
Ik sta voor een leger
Dat mij niet aan durft te kijken

Ik ben een vrouw zonder naam
Gevolgd door een man zonder rede
Ik sta tegenover jou
Die mij niet aan durft te kijken 

Jij die niet wil weten wie je bent
Achter je zelfverkozen gezicht
Probeert de delen van je wezen
Gevangen te houden in helder licht


Je zegt dat wij onze zelven verhullen
Geluk ons zo nooit kan vervullen
Je zegt dat jouw zelfontleding
Ons gebroken wezen zal lijmen

Toch onze losgewonden delen
Die we de schijn van zelfstandigheid geven
Moeten ergens kunnen dwalen
In een versluierd land

Je zou een heel leger vrij kunnen laten
Maar in plaats van het verlossing te geven
Word je meester van subtielere maskers
Dan wij poppen ooit kunnen spelen


Je zegt dat wij in dromen blijven leven
Dat we ons leven zo verspelen
Onze eenzaamheid en onmacht paaiend
Met beelden die wij nooit delen

Je houdt zo stil wie al stil zijn
Omdat wij niet verkondigen
Je houdt zo klein wie al klein zijn
Omdat wij rondkomen zonder groot gebaar

Voor jou zijn we ver weg
Toch zien we jou wel staan
Wanneer we kijken naar de maan
Zien we je staan

Ik zal je wel zien
Ik zal je omarmen
Ik zal je optillen
Ik zal je laten vallen


(uit Karakteristieken van een Verscholene, 2019 - doorlopend)

De Herder

De droom het beeld de stier

Eerst liep ik over grond van een land dat ik nog niet kende
De bodem was zacht in lagen van vochtige klei als uit een rivier
Er kwamen kleine plasjes boven waar mijn voeten zich losmaakten
Glinsterend in het maanlicht de vlakte met hier en daar wat riet

Aan de horizon waar water en lucht elkaar overdag raakten
Kon je niet vermijden dat vogels een bad namen
Ik zag zwermen doken neer en stegen weer op als een wervelwind die mij wilde laten zien
Een beweging die zich voor altijd zou herhalen hier


Toen kwam ik bij de rand waar iemand mij naar toe praatte en lokte
Die zelf onzichtbaar was maar een hond stuurde om mij te halen
Van de verende grond stapte ik op een droge harde laag
De hond die voor me rende cirkelde nog een keer rond me keek om en verdween

Op een steen ging ik te ruste en toen de zon me bijna in slaap brandde
Klonk van onder mij een stem die vroeg of ik wist van de wereld beneden mij
Een wereld van schaduw en kalme heldere blikken in een taal waar ik niets van weet
Of ik me dat voor kon stellen als een beeld waar ook dieren in leefden

Ik tilde niet de steen op zo bleef de wereld bestaan
En verderop zag ik hem gekanteld als een rotswand voor mij als een landschap waar ik in kon lopen
Mijn handen raakten de koude massa en daar begon er een klim in mij
Ik kwam boven alsof ik over een gladde vlakte was gegleden

Die nacht droomde ik van een stier ik kon zijn gezicht niet zien maar ik voelde zijn donkere ogen
Hem werd pijn gedaan daar waar het de meeste pijn deed wisten zij en opnieuw
Toch ik zag dat hij daarvoor al wist wat nodig was en daarom was hij sterker
Daarom droeg hij het hij hief het op en zo maakte hij het vrij

Toen ik wakker werd had ik een vriend gevonden en verloren
Mijn meest nabije vriend vriend van altijd ver weg en alweer voorbij
En met dit gezicht waar ik als alles van hou loop ik verder
Het water en de hitte en de stenen brachten me langs jou

De lente waarin ik groei tot iets dat ik me nooit kan bedenken
Dat zich naar alle kanten laat tekenen als in een heldere droom
Wat het geworden is gooi ik als in een val over de rand de lucht in
Waarna het op de grond waar het geland is vergaan zal zoals jij


(uit Cirkelingen, 2019)

Uit Razen

Galop

Na lang in een kring
dan weer in bossen uit razen
Riep jij, roep jij me nu
heel even heel dichtbij

Je zei, laat je in je ogen kijken
en spreek tot wat tot je praat
Toen stond jij, nu sta jij voor mij
en ben jij dat

Maar ik wil niet dat het dwalen
dat het razen stopt
bang voor het verstillen van de stem
Die mij toen, die mij nu precies
vertelt wie ik ben

Ware het samen voor de meesten
dan was het enkele voor mij
Jouw hand trok, jouw hand trekt me nu
weg bij mij

Je kent hem vast ook
maar niet zoals ik hem herken
In het duister, in de galop
waar ik zo graag ben met hem

Toch, ik kan niet anders dan
niet anders dan
mij draaien en je volgen naar
Je volgen naar
daar waar ik je helder hoor

Je zegt, laat je in je ogen zien
en zing tot wat tot je zingt
Nu ben jij, toen was jij dat
en ik zing tot jou
Tot de stem, in de stem
die ik met je ben


(uit Karakteristieken van een Verscholene, 2019 -...)


Het Leek te Wezen & Roekeloze Vaart

Het Leek te Wezen

Zo langzaam als een bedachtzaam wezen
Kruip ik over de tussenberm
Mijn ogen draaien naar beide kanten
Er groeit hier niets dat ik herken

‘k Ga zonder honger mijn mond mijn poten
Over de vlaktes en door de beek
Wanneer het licht is dan reflecteer ik
En in het donker geef ik magneet

Op beide stroken vluchten er dieren
Zichzelf voorbij naar hoger doel
Luid verkondigend waar ze heen gaan
Ze weten alles een heleboel

Waarom zo angstig Vluchtstrook Beesten
Tegenover mijn trage vaart
Gezichten moe en lichaam schrikachtig
Als van die doorgestoken kaart

Je mond lijkt sprekend van constructies
Die wij zwervers niet verstaan
Je deelt je kennis en dat verdeelt je
Toch wat heb je er anders aan

Wat kan ik weten wat kan ik zeggen
Mijn woorden traag als hoe ik buig
Maar vlug kan ik me in jou verplaatsen
Herhaal je grillig als mijn huid

Hier op de kruising aangekomen
Scheer jij Roekeloze Vaart
Vlak langs me heen en ik herken je
Aan de wind die door me waait

Roekeloze Vaart

Zo zwierend als een angstloos wezen
Vlieg ik los tussen schip en wal
M’n blik waaiert uit ik kijk de stad aan
Er groeit in mij een vrije val

Met de machines en de kranen
Speel ik zonder een overkant
Jagend van de gebaande paden
Ben uitgelijnd en onbemand

Op heet asfalt Richting Aangevers
Slaan zich af van hun eigen boek
Hard knipperend in een goed daglicht
Steeds een nieuw plan voor om de hoek

Waarom bang Voorbedachte Radars
Mijn vleierij niet voor de sjans
Uitgerust in passende pakjes
Veel te nauw voor een ware dans

Je schijnt bewust juiste gebaren
Naar maat en dieren van de straat
Je kunt me laten in het voorbijgaan
Maar licht je poot uit goede daad

Wat kan ik houden wat bevat ik
Niet om te blijven gaat mijn pas
Rustig kan ik bij jou mislukken
Val door je heen zonder een jas

Hier in het midden van het alles
Lijk jij te wezen wat ik wil
Haast maakt je traagheid je onzichtbaar
‘t Is in jouw buurt dat ik verstil

(uit Het Figuur van wie het onmogelijk bleek de menselijke maat te nemen, 2016)

De Schuldpad

Te traag ga ik

Te traag ga ik, de lucht trekt sneller voorbij dan ik kan volgen
De wolken laten gaten open waar ik mij niet langer in kan vinden 
Ze zeggen dat het juist mijn huis is dat mijn pas verlangzaamd
Dat ik er zo zelf voor kies om hopeloos achter te raken

Ik zie naakte wezens die alles van zich af hebben geworpen
Om vlugger daar te kunnen zijn waar de gaten vallen en ze heel even nodig zijn
Toch is het die zware last waar ik zorg voor wil en kan dragen
Ook al bewandel ik daarmee het schuldpad, zeggen zij

Over mijn schild worden schulden verdiensten
Dat wat ik niet bezit maakt anderen schuldeloos
Zo beland ik, door wat ze me niet af kunnen nemen
Dakloos op straat, maar met een draagbaar huis 

Maakt het nog uit welk pad ik bewandel?
Eerder zag ik me gedwongen op boevenpad te gaan
Het liefste zou ik net als velen het hazenpad nemen 
Want hoewel op het rechte pad, ben ik vogelvrij en dat als schildpad 

Ik zie de mensen wortel schieten in zichzelf
Ze reizen zo licht dat niet alleen hun voeten beginnen te zweven 
Enkel degenen die geen schuilplaats meer nodig hebben
Zijn echt vrij en hoeven slechts hun eigen geluk te dragen, herhalen zij

Meester geworden in het uitvegen van hun afdrukken
Die hen zouden kunnen herleiden naar het pad dat ze ooit namen
Naar wie ze ook waren en hoe ze zich verbonden 
Met dat waarvan ze nu zeggen dat het hen vies maakt, zoals ik ben

Maar ik hou van de grond waarop ik sta 
En ik hou van de grond waarop jij staat
En die hoop zorgvuldig uitgewiste sporen
Lijkt op iemand die je jezelf nooit gunde te zijn en nog steeds niet naar buiten laat 

Net als wortels zijn rechten draagbaar geworden
Voorbehouden aan diegenen die er het snelste bij kunnen zijn
Net als rechten hebben wortels grond nodig
Waar is toch de grond die ik met jullie deel?

Ik wandel voort, zelfs de vogels zullen me wel haten 
Want ik pik hun al hun noten af
Maar het is groter dan ik kan zingen
Dus geef ik hen hun tonen terug en drink ik stil op jou

(uit Karakteristieken van een Verscholene, 2019 - doorlopend)

Je bent veel te hoog voor mij

je bent veel te hoog voor mij  je bent veel te ver voor mij
maar ik zing je maar ik volg je

je bent veel te hoog voor mij je bent veel te hoog voor mij je bent veel te hoog voor mij
maar ik zing je   maar ik zing je maar ik zing je

je bent veel te ver voor mij   je bent veel te ver voor mij je bent veel te ver voor mij
maar ik volg je maar ik zing je maar ik volg je

je bent veel te hoog voor mij
maar ik zing je

je bent veel te ver voor mij
maar ik volg je


AA-OO-EE-IE-OE-UU-IE-AA-UU-AA
OO-AA-OO-EE-IE-OE-UU
je bent veel te hoog voor mij maar ik zing je   je bent veel te hoog voor mij  maar ik zing je
je   bent   veel   te  ver  voor mij  maar ik volg je je   bent   veel   te  ver  voor  mij maar ik volg je 
 

je bent veel te hoog voor mij      maar ik zing je    -    je bent veel te ver voor mij    -    maar ik volg je   -  
             je bent veel te hoog voor mij    -    maar ik zing je      je bent veel te ver voor mij   -  
                     je bent veel te hoog voor mij      maar ik zing je    -    je bent veel te ver voor  - …
                           je bent veel te hoog voor mij    -    maar ik zing je   -  


je bent veel te laag voor mij je bent veel te laag voor mij
maar ik zing je maar ik zing je
je bent veel te diep voor mij  je bent veel te diep voor mij
maar ik volg je maar ik volg je

ik dacht dat je hetzelfde maar dat was je niet ik dacht dat je hetzelfde maar dat was je niet
ik dacht dat je hetzelfde maar dat was je niet ik dacht dat je hetzelfde maar dat was je niet

je dacht dat ik hetzelfde maar dat was ik niet je dacht dat ik hetzelfde maar dat was ik niet
je dacht dat ik hetzelfde maar dat was ik niet je dacht dat ik hetzelfde maar dat was ik niet

(uit Karakteristieken van een Verscholene, 2019 - doorlopend)

Klim erop

Klim erop


klim erop!
omarm het blok 

tot zover dat het in je zit
koel en massief
jouw vel zijn rug
bebrand bebriest
het keert door je heen
binnen laait het
buiten steen
je rug een kom je
draagt hem andersom

trek hem hoog op!
hemd in broek
totdat je heupen wiegen
en de kamer door je danst
je rug de muur raakt
en de muur je borst en
je voldoende klem zit
om je vastgehouden
te voelen zonder
hoek of overkant
uitgelijnd en onbemand

De Haveloze

Geen staat geen staal

De nekken van de kranen draaien stil traag boven mij Langzaam dwaal ik af en word een dier van je getij 
In de gons volg ik je ver gezicht vanaf het droge Totdat ik in jouw haven word net als een haveloze
Zoals een blok van dicht massief waar geen tussenkomt Zink ik dieper in je diep voorspel mijn eigen bots 
Als een kluit in water val ik losjes uit elkaar Op elke korrel die bodem wordt de blikken van bovenwater

Nog steeds op de kade drukken stenen in mijn rug  Glad en hard als zetjes naar daar waar geen eind aan komt
Ik laat me naar het donker glijden tot de koele rand Van het water als een ring rondom mijn middel schuift 
Hoger langs mijn borst mijn hals mijn voorhoofd en mijn kruin Totdat er enkel fantasie en geen onderscheid meer is
De galmen van de boten en de kades en de kraan Ik ben in geen enkel andermaal in geen staat geen staal

Toch met open ogen zie ik vormen in het zwart Die komen van het bovenwater waar ik eerst nog zat
Mijn huid was licht en weerde daar het licht dat op haar viel Nu word ik donker donkerder neem licht op absorbeer 
Beschenen en beschermd door zon van boven onder meer Als poeder in het water daal jij op mijn borst neer
Alles dat voorbij ging wacht hier rustig schoon en droog Alles dat moet komen is  zonder roest in het oog

Polaris

Polaris
als zij de zon en ik de maan 
is alles wat we van elkaar
weerkaatsen in jou even waar

soms keert het zich om
dan ben jij de zon
dan sta ik bovenaan
en geef jouw blik aan haar

maar als de zon de maan is
en onze blik polaar is
dan weet ik dat het daar is 
waar het het liefste is
Polaris

Wij die zee zijn



Wij die zee zijn
We komen je halen
We zijn nu nog ver
Maar we komen eraan

We zullen je spoelen
Wanneer je alleen bent
En je wakker maken
Diep in een nacht
Wij die ravijn zijn
Wij kloppen geen schouder
We stampen je niet aan
Maar woelen je los
We buigen ons als een alles
Overkoepelend paar armen
Zo dicht om je heen
Tot we je krochten vullen
En je steeds verder bij je
Naar binnen drijven
Tot aan de rand van
Je eigen afgrond
Waar je niets liever doet
Dan in ons springen
Om te vallen in wat je
Al zo lang verlangt

Wij die stil zijn
We stoppen je razen
Wij zonder antwoord
We stoppen je vraag

Wij die er nooit zijn
Stoppen je verwachten
Wij die je verlaten
Houden je voor altijd vast

Pas wanneer je weer 
Uit ons terug moet keren
Zal het je moeilijk vallen
Verstaanbaar te spreken
Want de mensen zullen
In jouw woorden enkel
Een enge droom of hun
Eigen angsten horen klinken

(uit Cirkelingen, 2019)