Grond / De Landloopster

Grond / De Landloopster

Tussen de rooklucht van de maten en de straten zwierf ik 
Daar waar mijn voeten de grond raakten daar was ik werkelijk vrij
Hoewel ik geen melodie kreeg van mijn vader noch mijn moeder
Zong ik dichter naar de stenen dan menig stedeling van hier

Ik kwam aan in een vreemde stad en vond mij lopend over de hoofden 
Die me al lang geen kinderkopjes meer leken, maar volwassenen van geest
Die zouden het toch moeten weten, die zouden toch iets moeten zeggen 
Maar ze kijken nergens meer van op en zijn hun vragen kwijt

In de wind stond een verteller, die met vliegende armgebaren
De mensen enkel wilde meevoeren in een verhaal van dag en nacht
Toen klonk het uit de voorbijgangers, berekende vuurvlagen
Daar waar ze konden onderbraken ze zijn handen met hun hoofd

Verderop vroeg een waarzegster, waar een gespannen rij voor draalde 
Aan de nagels in de zakken “Hoe komen jullie zo schoon?”
Om de vergezichten te zien achter parken en draadstalen  
Is het toch een klein offer wat zand in je wonden te dragen?

Zonder jezelf af in de woestijnen van je gedachten
Maar ga ook daar waar je vies kan worden en kan worden geroofd
Nu zie ik duistere vormen die je het daglicht niet laat verdragen
Achter je wachten tot ze je ergens kunnen belagen

1.

Op eigen handen gedragen over de ruggen van anderen loop ik
En zo dender ik voort, haast vergeten dat ik uit de klei getrokken ben
Want hoe kan ik me door die grond nog ergens laten raken
Wanneer ik enkel en alleen nog aanraak met mijn hoofd

‘k Ga langs hoge panden met diepe tuinen, waar de glasheffers proosten 
Met glazen achter ruiten op steeds hogere plafonds
De ramen spiegelen donkere velden, waar niemand vrijwillig in zou verblijven
En het mist er hier aan iemand die je er ooit naar verbannen zal

Rond de dorpen zaaien ze indianenverhalen
Over de Grote Bosbrand waar zelfs Kleine Bosbrand niets meer van gelooft
‘k Volg hardlopende vuurtjes, jagend achter de mensen aan
Die liever blijven in een buiten dat ze zelf niet kozen

Dan kom ik bij de kleden langs de blakerende terreinen 
Waar voor de lage hekken wordt verkocht wat erachter is gedumpt
Maar waarom de mensen daar die dingen ruilen tegen hun munten 
Is een spel dat nu alleen de Magiërs nog begrijpen

Ik zie de zielen thuisloos raken en dwalen over de straten
Terwijl de echte daklozen waaks uit het zicht worden geweerd
Toch zie daar ik duidelijk voor me Dat Wat Ongezien Voorbij Gaat
En spreekt helder tot mij Dat Wat Geen Naam Mag Hebben

2.

Intermezzo

De Landloopster valt als ze niet oplet, stil in een eenzaam staren
Omhoog naar een Poolster op wie ze haar verlangens brandt
Een gezicht dat zo dichtbij voelt, dat het in alles ver schijnt
Maar wiens lichaam altijd wegduikt en wiens ogen zich vermommen

Zo ongrijpbaar dat ze twijfelt of het nog wel blijft bestaan
Wanneer ze het beschouwt als iets dat ze werkelijk aan kan raken 
Toch herkent ze in de blikken, die rustig terug blijven kaatsten
Langzaam haar eigen ogen en laat ze zich naar binnen draaien

Mijn ogen hebben je gezocht, zo ver hier vandaan
Dat ik soms twijfel of je nog wel blijft bestaan
Wanneer ik je beschouw als iets dat ik werkelijk aan kan raken
Toch ik voel jij brandt in mij, ster waar naar ik kijk

Zo ver als haar blik probeerde te reiken, zo diep kan ze nu zinken
Tot daar waar alleen eng, vreemd duister haar nog kan behagen
Maar net als in de bovenwereld is ze in de onderwereld
Niet bang te lopen door de landen en aan de grond te raken

Mijn ogen hebben je gezocht, zo ver hier vandaan
Dat ik soms twijfel of je nog wel blijft bestaan
Maar net als in mijn bovenwereld, ben ik in mijn onderwereld
Niet bang te lopen door de landen en aan de grond te raken

3.

Vervolg

Aan de randen van de hopen dingen, die eerst nog van iemand waren
Verschijnen constructies van melodieën en vreemde spelgebaren
Ik zie de mensen wat voor hen ligt oprapen en verplaatsen
Totdat het sterk genoeg is om een ware dans te dragen

Tussen bermen en havens zwerf ik en vind daar de vergezichten
Daar waar mijn voeten de grond raken daar ben ik werkelijk vrij
Soms klim ik op de hoge gebouwen die heel dicht aan de nachtlucht raken 
Dan spring ik van de aanlegpalen om even in het nulpunt te zijn
En zing ik heel dicht naar de stenen als een echte vreemdeling van hier

4.

(uit Karakteristieken van een Verscholene, 2019 - doorlopend)

De droom, het beeld, de stier

De droom het beeld de stier 

Eerst liep ik over grond van een land dat ik nog niet kende 
De bodem was zacht in lagen van vochtige klei als uit een rivier
Er kwamen kleine plasjes boven waar mijn voeten zich losmaakten 
Glinsterend in het maanlicht de vlakte met hier en daar wat riet

Aan de horizon waar water en lucht elkaar overdag raakten 
Kon je niet vermijden dat vogels een bad namen
Ik zag zwermen doken neer en stegen weer op als een wervelwind die mij wilde laten zien 
Een beweging die zich voor altijd zou herhalen hier

Toen kwam ik bij de rand waar iemand mij naar toe praatte en lokte
Die zelf onzichtbaar was maar een hond stuurde om mij te halen 
Van de verende grond stapte ik op een droge harde laag 
De hond die voor me rende cirkelde nog een keer rond me keek om en verdween

Op een steen ging ik te ruste en toen de zon me bijna in slaap brandde
Klonk van onder mij een stem die vroeg of ik wist van de wereld beneden mij
Een wereld van schaduw en kalme heldere blikken in een taal waar ik niets van weet 
Of ik me dat voor kon stellen als een beeld waar ook dieren in leefden

Ik tilde niet de steen op zo bleef de wereld bestaan 
En verderop zag ik hem gekanteld als een rotswand voor mij als een landschap waar ik in kon lopen
Mijn handen raakten de koude massa en daar begon er een klim in mij
Ik kwam boven alsof ik over een gladde vlakte was gegleden

Die nacht droomde ik van een stier ik kon zijn gezicht niet zien maar ik voelde zijn donkere ogen 
Hem werd pijn gedaan daar waar het de meeste pijn deed wisten zij en opnieuw
Toch ik zag dat hij daarvoor al wist wat nodig was en daarom was hij sterker
Daarom droeg hij het hij hief het op en zo maakte hij het vrij

Toen ik wakker werd had ik een vriend gevonden en verloren
Mijn meest nabije vriend vriend van altijd ver weg en alweer voorbij
En met dit gezicht waar ik als alles van hou loop ik verder
Het water en de hitte en de stenen brachten me langs jou 

De lente waarin ik groei tot iets dat ik me nooit kan bedenken
Dat zich naar alle kanten laat tekenen als in een heldere droom
Wat het geworden is gooi ik als in een val over de rand de lucht in
Waarna het op de grond waar het geland is vergaan zal zoals jij

(uit Cirkelingen, 2019)

Drieluik / De Hardlopende Vuurtjes, De Poppen van de Pleinen, Een Vrouw zo oud als een Boom

Drieluik | De Hardlopende Vuurtjes

Wij zijn de mannen met veren
Gevolgd door de vrouwen met snavels
Wij houden jullie voor de kippen
En strooien wat graantjes om elkaar af te pikken 

Wij zijn de vrouwen met schubben 
Gevolgd door de mannen met tongen 
We sprenkelen listen en prooien
En maken je meester van kooien 

Wij geven pap en nat
Wij verdelen heers
Wij houden brood en spelen 
Wij zijn al zo oud als velen 

Wij zijn de mannen met koplampen 
Gevolgd door de vrouwen in schijnwerpers 
Laat ons je belichten
Je hebt niets te verbergen 

Wij zijn de vrouwen die stoken
Gevolgd door de mannen met aanstekers 
We drinken veel en gulzig
Trots kunnen wij onszelf blussen 

Wij houden de naakte waarheid 
Ons eigen recht op eigenheid 
Als een bord voor onze koppen 
Dat jouw vragen doet stoppen 

Jullie schaamte is nog jong
Wij laten die jullie dragen
Zodat het jullie zal verscheuren
En wij je met vergezichten op kunnen beuren 

En wanneer de nacht valt
Sluiten wij al het donker buiten
Sluiten wij al onze zelven buiten
En dromen over oneindig ver vooruit kijken 

Hoe meer jullie je verschuilen
Hoe meer wij ons voor jou ontleden 
Totdat de herkomst van onze delen 
Je niets meer kan schelen 

Wij roken rond de tafels 
Wij delen jou de kaarten 
We winnen ons eigen spel 
Wij zitten goed

De Poppen van de Pleinen

Wij zijn de mannen met vette haren 
Gevolgd door de vrouwen met vieze nagels 
We dragen zorg voor jullie landen
Het onkruid dat je stal uit onze manden 

Wij zijn de vrouwen die baarden 
Gevolgd door de mannen met graven 
Onderweg verloren we er velen 
Maar ons verdriet kunnen we delen 

Wij geven je niets om te kiezen 
We geven je geen veilige haven 
We geven je geen praatjes
We geven je geen paradijs 

Wij zijn de mannen met donkere manen 
Gevolgd door de vrouwen met diepe vouwen 
Wij zijn de poppen van de pleinen
De spiegels van je angsten en geheimen 

Wij zijn de vrouwen in sluiers
Gevolgd door de mannen die opgaan in rook 
De stille getuigen van een gemaskerd zijn 
Ontwaakt onder schroom en eenzaamheid 

Wij zijn de verborgen beelden
Die vrij in het duister leven
Wij zijn de levenden achter de levenden 
Wij zijn je gemene delen 

Pakezels van toeval en tijd zijn wij 
Dat wat jullie zelf niet willen dragen 
Pakketbezorgers in een duister buiten 
Dat we zelf niet kozen 

Jullie willen het in ons blootleggen
Het heimelijk in het daglicht zetten
Zodat het een scherts zal worden
Waar je zelf niet meer naar hoeft te verlangen 

Hoe meer jullie ons beschijnen 
Hoe meer wij je absorberen 
Totdat we in jouw persoonlijk licht 
Een gedeelde schaduw zien 

Wij zijn jullie reden
Om ons op het plein uit te kleden 
Maar als we niet kaler meer kunnen 
Vinden we jou daar 

Een vrouw zo oud als een boom

Ik ben een man uit tienduizenden
Gevolgd door een vrouw zo oud als een boom 
Ik sta voor een leger
Dat mij niet aan durft te kijken 

Ik ben een vrouw zonder naam 
Gevolgd door een man zonder rede 
Ik sta tegenover jou
Die mij niet aan durft te kijken 

Jij die niet wil weten wie je bent 
Achter je zelfverkozen gezicht 
Probeert de delen van je wezen 
Gevangen te houden in helder licht 

Je zegt dat wij onze zelven verhullen 
Geluk ons zo nooit kan vervullen
Je zegt dat jouw zelfontleding
Ons gebroken wezen zal lijmen 

Toch onze losgewonden delen
Die we de schijn van zelfstandigheid geven 
Moeten ergens kunnen dwalen
In een versluierd land 

Je zou een heel leger vrij kunnen laten 
Maar in plaats van het verlossing te geven 
Word je meester van subtielere maskers 
Dan wij poppen ooit kunnen spelen 

Je zegt dat wij in dromen blijven leven 
Dat we ons leven zo verspelen
Onze eenzaamheid en onmacht paaiend 
Met beelden die wij nooit delen 

Je houdt zo stil wie al stil zijn
Omdat wij niet verkondigen
Je houdt zo klein wie al klein zijn
Omdat wij rondkomen zonder groot gebaar 

Voor jou zijn we ver weg
Toch zien we jou wel staan 
Wanneer we kijken naar de maan 
Zien we je staan 

We zullen je wel zien 
We zullen je omarmen 
We zullen je optillen
We zullen je laten vallen 


(uit Karakteristieken van een Verscholene, 2019 - doorlopend)